SCHIZOFRENIE - Kwetsbaarheid en preventie
Drs. Peter Martens (Genk (B), 1975) is psychiater en zorgprogrammacoördinator psychotische stoornissen bij de Reinier van Arkelgroep. Hij heeft in zijn werk vaak te maken met mensen die schizofrenie hebben.
Hoe heeft u in uw werk te maken met schizofrenie?
Ik ben werkzaam bij de Reinier van Arkelgroep, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg in Den Bosch. Samen met een aantal andere collega’s ben ik verantwoordelijk voor de zorg voor mensen met schizofrenie. Ik werk bij de Reiner van Arkelgroep bij het Centrum voor Intensieve Psychiatrische Behandeling, onder andere binnen een multidisciplinair team dat zich met psychiatrische zorg voor schizofrene patiënten bezighoudt. Ik heb dus regelmatig therapeutische contacten met deze patiënten. Tenslotte ben ik als psychiater werkzaam bij de crisisdienst. De crisisdienst kan door de huisarts, politie of maatschappelijk werk ingeschakeld worden als een patiënt in een acute ernstige psychiatrische crisis, bijvoorbeeld een psychose (AS: een psychiatrisch beeld waarbij de patiënt het normale contact met de werkelijkheid geheel of gedeeltelijk kwijt is), terecht komt. Ook binnen de crisisdienst kom ik vaak in aanraking met patiënten met schizofrenie.
Houdt u zich ook nog bezig met wetenschappelijk onderzoek op gebied van schizofrenie?
Bij de Reinier van Arkelgroep wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan naar schizofrenie. Ik ben niet degene die dit uitvoert, maar wel hierbij betrokken. Momenteel zijn we onder andere bezig met onderzoek naar zogenaamde metacognities. Metacognities zijn gedachten over gedachten. Een symptoom van schizofrenie zijn wanen, vaak bizarre denkbeelden. Het onderzoek richt zich op de gedachten die de patiënt over deze wanen heeft. Hoewel de wanen met medicatie behandeld worden, blijft er geregeld wel iets van over. Het onderzoek gaat na of het middels een groepstraining lukt om de patiënt anders te laten denken over de wanen, waardoor hij of zij er beter mee om kan gaan. De interventie is zo opgezet dat het laagdrempelig is en niet te therapeutisch, het is meer een cursus. Voor veel patiënten met schizofrenie is dat belangrijk, omdat ze vaak een lange geschiedenis in de hulpverlening achter de rug hebben met niet altijd gunstig resultaat. We merken al dat mensen door deze interventie aan te bieden minder achterdochtig worden en langer in zorg blijven. Op 21 september, in het Science Café, zal ik hierover nog meer vertellen.
Er zijn veel theorieën over het ontstaan van schizofrenie. Hoe ontstaat schizofrenie volgens u?
Ik weet het niet precies, er is zo veel over geschreven en zo weinig over bekend eigenlijk. Ik benader het ontstaan van schizofrenie vooral vanuit de biologische hoek. Mensen die schizofrenie ontwikkelen, hebben mijns inziens een soort van biologische, genetische kwetsbaarheid. Door middel van omgevingsfactoren, en dat kunnen er diverse zijn, kan het toestandsbeeld dat schizofrenie heet dan uitgelokt worden. Er is veel onderzoek gedaan naar welke omgevingsfactoren dit zijn. De ware oorsprong van schizofrenie is volgens mij nog niet gevonden.
Dus eigenlijk weten we nog niet veel over de oorsprong van schizofrenie?
Ja, het is moeilijk om iets te zeggen over de biologische oorsprong van schizofrenie. We weten wel dat bij de ontwikkeling van schizofrenie bepaalde genen betrokken kunnen zijn en dat hersenstructuren tijdens de ontwikkeling van schizofrenie veranderen. Dat is te zien op beeldvormend onderzoek, zoals een MRI scan. Toch kun je niet zeggen dat je met een MRI-scan de diagnose schizofrenie kan stellen. Het merendeel van de mensen met schizofrenie heeft afwijkingen in de hersenstructuren, een deel echter ook niet. Bovendien zijn de afwijkingen niet specifiek voor schizofrenie.
Interessant is het onderzoek dat momenteel gaande is naar risicofactoren voor het ontwikkelen van schizofrenie. Dat onderzoek richt zich dus niet op het nagaan of iemand wel of niet schizofreen is, maar op het onderzoeken of het mogelijk is te bepalen wie schizofrenie zal krijgen. Op de afdelingen waar ik werkzaam ben zijn we recentelijk gestart met dit soort onderzoek. Alle jonge mensen die zich aanmelden bij de instelling wordt een vragenlijst voorgelegd. Wanneer er boven een bepaalde waarde gescoord wordt op de vragenlijst, wordt er een gestructureerd interview afgenomen, waarbij gelet wordt op het al dan niet aanwezig zijn van een aantal factoren waarvan de veronderstelling is dat deze signalen zijn voor het ontwikkelen van een psychose. Denk bijvoorbeeld aan een hoge mate van achterdocht of de neiging tot terugtrekken uit sociaal contact. Als er een aantal factoren gevonden kunnen worden die het ontstaan van schizofrenie kunnen voorspellen dan kunnen we aan vroegdiagnostiek en dus preventie doen.
Hoe kan het volgens u dat schizofrenie meestal in de vroege volwassenheid tot uiting komt?
Het is niet zo dat schizofrenie bij beide geslachten vooral in de vroege volwassenheid, na de puberteit, tot uiting komt. Inderdaad, mannen zijn het meest kwetsbaar aan het eind van de puberteit, maar voor vrouwen is dat zo rond hun 25-30e levensjaar met een tweede piek zo rond hun 50e jaar. Het idee is dat schizofrenie ontstaat in perioden dat iemand het meest kwetsbaar is. In de genoemde leeftijdsfasen in er bij mannen en vrouwen in het lichaam veel aan de hand. Hormonale factoren zouden hierin bijvoorbeeld een rol kunnen spelen. Er wordt wel onderzoek naar gedaan, maar dat is nog in de experimentele fase.
Welke therapeutische mogelijkheden zijn er vervolgens voor mensen die een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van schizofrenie?
Op dit moment wordt aan mensen een gesprekstherapeutische interventie aangeboden met als doel hun weerbaarheid te vergroten om met de ziekte om te gaan wanneer deze zich aandient of zelfs uit te stellen of te voorkomen. Doel van dergelijke interventies is niet enkel het voorkomen dat een psychose optreedt, maar wanneer ze toch optreedt, ervoor proberen te zorgen dat een psychose minder heftig en korter is. We weten uit onderzoek dat de duur van een eerste psychose bij schizofrenie voorspellend is voor het algeheel functioneren van de patiënt na de psychose. Hoe langer psychotisch, hoe slechter de uitkomst, wat bijvoorbeeld kan betekenen dat iemand stemmingsproblemen ontwikkelt, lichamelijke klachten krijgt of slechter kan onthouden. Ik verwacht dat onderzoek zich de komende jaren hier sterk op zal richten.
Heeft dergelijk onderzoek en vroegdiagnostiek niet ook een keerzijde?
Jazeker, dat is een moeilijk thema. De keerzijde is dat je altijd werkt met kansberekeningen en dus te maken hebt met zogenaamde vals positieven (AS: mensen die ontrecht een “verhoogd risico” label krijgen) en vals negatieven (AS: mensen waarbij over het hoofd wordt gezien dat ze een verhoogd risico hebben). Het instrument wat we op dit moment gebruiken is goed gevalideerd en geeft relatief weinig vals-positieven en vals-negatieven, maar toch... We proberen dit nu te ondervangen door niet te spreken over "risico op psychoses/schizofrenie", maar "verhoogde kwetsbaarheid". De interventie die we vervolgens aanbieden aan mensen die positief gescreend worden is ook veilig en gericht op versterken van de weerbaarheid. Dat is ook bruikbaar bij andere psychiatrische ziektebeelden en kan dus geen kwaad; iedereen die zich bij ons aanmeldt heeft immers psychiatrische klachten.
Angélique Schiffer, juni 2010
|